Tag Archives: Fort Sint George

41. Vrijdag 2 september

41. Vrijdag 2 september

Ik wilde uitslapen vandaag, maar het blijkt dat mijn kamer tussen twee badkamers ingeklemd zit en vanaf 4:00 uur hoor ik al mensen onder de douche staan. Ik kan het nog even uitstellen, maar met al dat stromend water moet ik toch echt mijn bed even uit. Ik dommel later nog wel wat in, maar echt slapen komt er niet meer van. Als ik rond een uur of 7 à 8 onder de douche sta, vallen er nog net drie druppels water naar beneden en vervolgens niets meer. Er is nog een voetenkraantje. Heel voorzichtig gebruik ik het laatste water dat nog in de pijpleiding zit. Elke druppel is er een. Uitslapen is dan niet echt gelukt, maar een ochtendje een beetje niets doen lukt vervolgens aardig.

Rond de klok van 11:00 uur laat ik me in een shared taxi naar Elmina rijden. De weg tussen Cape Coast en Elmina is extra mooi doordat je aan de linkerkant constant zicht hebt op de oceaan, stranden met palmbomen en vissersbootjes. De aankomst in Elmina is schitterend. Je ziet het grote fort liggen op een punt van het land en daarvoor varen tientallen vissersbootjes met vlaggen in de top van de mast.
Ik laat me afzetten op een bruggetje vlakbij het fort. Wat een bedrijvigheid hier op straat en op het water. Is er soms een feestje? Navraag levert op dat de vissers net weer thuiskomen na 24 uur op de oceaan te hebben gezeten. Ik sta op het bruggetje, ondertussen oplettend waar ik mijn voeten neerzet. Het bruggetje is op veel plaatsen verrot en dat levert grote gaten op. Ik volg de boten die door deze smalle vaargeul het dorp binnen komen varen. Er staan mannen in het water die de boten met touwen binnentrekken. Er zijn mannen die peddelen. Kinderen spelen op enkele lege boten die op het strand getrokken zijn. Ik verbaas me over de Nederlandse, Spaanse en andere vlaggen. Ik dacht dat Europese landen niet zo zorgzaam voor Ghana waren geweest. Eerst was er de jacht op het goud. Vandaar dat Ghana eerst de naam Goudkust had en later was er de jacht op slaven. Als mensen hier dan ook ‘welcome’ tegen me zeggen, terwijl ik over het bruggetje richting het strand langs de watergeul loop, met op de achtergrond fort Elmina voelt dat goed aan.
Op het korte reepje strand is het een drukte. Netten worden leeggemaakt. Schalen en manden worden gevuld met vis. Grote parelmoerig roze krabben komen tevoorschijn en worden in een emmer gegooid. De mooiste schelpen liggen nu aan mijn voeten. Ik stap over de aanlegtouwen van de boten heen en soms buk ik me om er onderdoor te gaan. Oude mannen tillen het touw dan extra hoog voor me op als ze me zien en lachen met hun gebit vol stompjes me vriendelijk toe. Ik loop als een koningin te knikken, ik zwaai, laat kinderen me een hand geven en wissel met vrouwen namen uit. Ook al krijg ik het idee bijna als koningin behandelt te worden, ik blijf me nederig opstellen. Ik ben de enige blanke in deze zwarte wereld hier. In mijn kleine rugtasje zit een kapitaal; digitale camera, portemonnee, kleine hebbedingetjes, The Bradt Travel Guide (onmisbaar hier) en mijn niet te vervangen schrijfblok vol met dagelijkse verhalen van de afgelopen 5 weken. De gedachte aan de slavenhandel geeft mij de fantasie dat ze mij hier misschien wel willen lynchen.

Een gelach gaat op als er een golf ver het strandje oprolt en mij net zo goed als alles en iedereen om me heen tot aan de knie nat maakt. De geur van vis is sterk. Sterker nog ik sta ook midden in de vis. Ik lach met ze mee en ben blij met mijn rokje tot op de knie. Nu zijn alleen mijn benen en slippers maar nat. De golf was wel een waarschuwing. Ik zal eens langzaam terug lopen naar het dorpje. Nu is het smalle strandje nog een beetje begaanbaar. Straks moet ik anders via de bootjes al hoppend terug en dan is dat rokje even niet zo handig meer.

Ik begin trek te krijgen en loop over de markt op zoek naar wat fruit. Ik maak plezier met de mensen. Ik wil de vismarkt op, maar dat wordt me afgeraden door de kaartjesverkoopster ‘you’re spoiling your money’. Ik zie een beetje hoe de vismarkt eruit ziet; erg druk, een visgeur, foto’s maken is hetzelfde als je camera weggeven als ik dit zo bekijk en op het strand heb ik ook al wel de verschillende soorten vis, zelfs een klein soort haai en schelpdieren gezien.
Na wat gegeten te hebben fris ik me iets op; ik sla het inmiddels opgedroogde zand dat ik na de watergolf tegen me aankreeg van mijn benen en maak mijn handen schoon met een druppel uit zo’n flesje dat hygiënisch schoon zonder gebruik van water belooft.

Het bezoek vervolgens aan het fort, Castle of St. George is indrukwekkend en pijnlijk. Ik krijg een rondleiding en loop mee in een groep bestaande uit ongeveer 10 personen waarvan ik de enige blanke ben. De verhalen die vertelt worden zijn pijnlijk. Voor zowel de Afrikanen in de groep die met medelij denken aan hun voorouders als ook voor mij. Dat mensen zo bruut geweest kunnen zijn. De slaven zijn slechter behandelt dan dat je beesten zou behandelen. Ik voel schaamte voor mijn blanke huid en heb de neiging sorry te zeggen. Maar dat laatste is iets dat ik van mijzelf niet hoef te zeggen. Ik ben blank maar ik was niet die blanke die hier ooit de leiding had. Behalve dat ik dezelfde vlag heb, heb ik verder niets gemeen. We lopen langs een gedenksteen van een van de Nederlandse gouverneurs. De gids vertelt welke godsdienstige spreuk op de grafsteen staat. Een Amerikaanse Afrikaan naast mij haalt met een minachtend geluid zijn neus op. Spreekt op een vragende toon die een combinatie is van boosheid en bitterheid het woord ‘Christen’ uit en draait zich om.
Ik voel me klein.
Het is dezelfde man die me geregeld aankijkt als de gids op een ook wel theatrale manier de gruwelijkheden van de Nederlanders beschrijft; de beestachtige opsluiting, de vernederende behandeling en de brute verkrachtingen. Ik heb trouwens niet verteld dat ik uit Nederland kom en heb daar nu ook geen enkele behoefte aan.
Mocht de man op me afkomen met een vervelende opmerking naar mij toe dan heb ik mijn antwoord inmiddels klaar. Ik ben er namelijk intussen van overtuigd dat ik geen sorry hoef te zeggen voor iets dat anderen die ik zelf helemaal niet ken zijn vroegere bevolking, die hij ook helemaal niet persoonlijk kent, het was rond de 18e en 19e eeuw, hebben aangedaan. Ik zal iets zeggen in de trant van dat ik het rot voor hem vind dat dit pijn doet en dat ik hem wel begrijp, maar dat ik een andere blanke ben. Het komt echter niet zo ver.

De Amerikaan is een van die toeristen die op zoek is naar zijn roots. De slaven werden vervoerd naar Jamaica, Dominicaanse Republiek, Brazilië, Amerika en ook ingezet in de oorlog die Nederland voerde in Oost-Indie. Oorspronkelijk was het fort gebouwd door de Portugezen in 1482. Na twee aanvallen kwam het in 1637 in handen van de Nederlanders. Ze maakten onder andere een nieuwe waterput met ruimte voor 60.000 liter water. De oude waterput vertrouwden ze niet. De vijand die vluchtend het fort verliet, kon het water op de vlucht wel vergiftigd hebben. Eerst ging het alleen om het goud, later werd de slavenhandel lucratiever. In 1872 werd het fort aan de Engelsen overgedaan in ruil voor land in Oost-Indie.
Het enige positieve uiteindelijk is dat de bouwmaterialen die Nederland hier naar toebracht en de manier van bouwen zo goed zijn. Geregeld laat de gids voorbeelden zien en prijst de goede kwaliteiten van het materiaal en de architectuur. Hij legt de verschillen uit tussen de Portugezen en de Nederlanders en geeft aan dat de Engelsen niets meer hebben gedaan aan het fort.
In de souvenirwinkel vind ik eindelijk een mooi boekje met alle veelgebruikte symbolen en uitleg daarvan. Regelmatig zie ik ze geverfd op de muren of verwerkt als print op de lappen stof. Ik hou van de symboliek van een simpele figuur en de diepere betekenis. Misschien kan ik er wel enkelen in het trapgat thuis op de muur verven.

Zo langzamerhand denk ik soms weer meer aan thuis. Binnen een week ben ik alweer in Nederland. Maar als ik even later door de straatjes van Elmina loop is Nederland weer even heel ver weg.
Ik zie voor het eerst in Ghana een tafelvoetbalspel op straat. Een grote groep kinderen staat er omheen. Ik kijk toe, maar al gauw heeft iedereen meer oog voor mij dan voor het spel. Ik vraag wie het beste is en daag hem uit. Het is super!
Hier sta ik in een oud vervallen straatje in de brandende zon. Aan de kant van de weg met zo’n twintig kinderen om me heen op te gaan in een tafelvoetbalspel. We spelen fanatiek. Er gaat een enthousiaste kreet van mij door de straat als ik scoor en andersom steekt hij vol blijdschap zijn armen in de lucht. Ik win met 3-2. Ja, dat is het vermelden waard. Het is knap om je oog op het voetbalspel te houden. Er gebeurd zoveel moois om me heen. Het glinsteren in die ogen, die lachende monden. Later speel ik tegen een grotere jongen Ghana-Holland. Kinderen twijfelen voor wie ze zullen zijn. Uiteindelijk zijn ze toch maar voor de winnaar; Ghana.
Het is zo mooi om hier te staan en deel uit te maken van hun straatbeeld. Ik ben op dit moment een speler. De kinderen achteraan de grote cirkel zien mijn blanke huid, maar de groep rondom de tafel ziet alleen de houten voetbalpoppen en misschien nog net mijn blanke handen. Er is geen getrek aan mijn arm, geen gezeur met de drie standaardvragen. 1.Wat is je naam? 2. Waar kom je vandaan? 3. Mag ik je adres? De enige vragen die gesteld worden gaan over voetbal. Ken ik de Ghanese voetballer die in Nederland speelt? Ze kennen wel Seedorf, Hooydonk en Van der Sar. Voetbal is toch wel een uniek iets in de wereld. In Peru zittend op een pleintje verbroederde het mij en een jongetje. We kenden dezelfde voetballers en nu ook weer. Er ontstaat een apart soort ‘wij-gevoel’. In veel situaties hier in Ghana heb ik misschien vaker plezier van een ontmoeting dan de Ghanese bevolking, maar nu durf ik met zekerheid te schrijven dat het plezier van beide kanten even groot is.
Dat ik verder loop, zonder te weten waar ik naar toe loop, gewoon een beetje rondlopen, vinden ze maar vreemd, maar ze nemen afscheid van me zonder dat hele circus er om heen. Ik ben voor even geen attractie. Ik was gewoon een medespeler.

Een paar straten verderop ben ik wel een attractie, maar dat heb ik ook zelf in de hand gewerkt. Er waren kinderen aan het touwtje springen. Ik nam het touw over van het meisje dat het dichts bij mij stond en eigenlijk vinden de kinderen dat gelukkig nog niet zo heel gek. Ze springen gewoon door. De moeders in de nabijgelegen huisjes zijn meer onder de indruk en sporen andere kinderen aan om ook naar die obroni te gaan. En dan komt het punt dat ik een attractie van mezelf maak. Ik haal de bellenblazer tevoorschijn. Uit alle gaten en hoeken komen de kinderen tevoorschijn. Ze vallen over elkaar heen en zelf word ik aan alle kanten vastgeklampt. Een oude vrouw roept me. Ik moet bij haar op een muurtje zitten. De kinderen volgen en ik laat ze een voor een bellenblazen, terwijl ik zelf het busje met water en zeep en het houdertje vasthoud. Nadat ik er genoeg van heb, de kinderen echter nog lang niet, geef ik de bellenblazer aan de oude vrouw. Ik geef aan dat ik dit cadeau geef aan de vrouw en het feest nu over is. Het is goed om even geen kinderen op mijn voeten te hebben staan, geen handjes in mijn haar, op mijn schouders, armen, buik, billen en benen te voelen. Om zittend op dat muurtje even een meter vrijheid voor achter en naast me te hebben.
Een deel van de kinderen staat op een afstandje toe te kijken, je weet maar nooit wat er nog meer gebeurd. Even leeft het feest weer op. Terwijl ik opsta om weer verder te lopen geeft een kind mij namelijk een hand. Anderen zien dit en ik schud vervolgens tientallen handjes of geef ze een vriendschappelijk klopje op hun schouder.
De glunderde koppies.
Het is bijna te veel.
Het leven werkt soms als een spiegel. Wat jij de wereld schenkt komt terug. Het gaat vandaag op met betrekking tot de glimlach. Via die spiegel komt ook een van mijn favoriete spreuken me tegemoet.
Wacht niet op een wonder, wees een wonder. Iets dat ik denk ik in de ogen van de kinderen even was. En trouwens het was vandaag een wonder.
Het gevoel van vandaag was bovennatuurlijk intens.