Avontuur

Avontuur

“O wat eng. O wat was dat eng.” Ik mompel het fluisterend met korte tussenpozen nog wel tien keer achter elkaar. Mijn bovenarmen stijf tegen mijn bovenlijf aangedrukt. Mijn handen hebben het stuur vast, maar mijn onderarmen zijn afwezig. Mijn maag lijkt wel echt te trillen. En moest ik niet rijden, dan had ik misschien zo gehuild.
Zo opeens reed ik recht op een groot zwart vlak. Op de snelweg met toch een goede snelheid. Het is ‘s avonds laat. Donker. De achterlichten van mijn voorgangers zag ik in de verte afwijkend gedrag vertonen. Reden om het gas los te laten. En daar ineens, op een paar meter voor mij, ligt een auto op de kant met de onderkant naar mij toe.
Ik zwiep er om heen. Druk op mijn alarmknop. Twijfel of ik moet stoppen. Zie twee auto’s op de vluchtstrook en ben vervolgens ook zo een kilometer verder. Denkend aan degene die nu tegen het asfalt aan ligt. De angst, als er maar niemand die auto inrijdt. Wat als er net zoals bij mij, nog een kind achter in de auto zit.

En het staat zo haaks op mijn euforische gevoel van wat ik de afgelopen kilometers voelde. De vrijheid die ik voel als ik auto rijd. Ik til mijn meisje in pyjama de auto in. Mocht ik een vleugje vermoeidheid hebben gehad vandaag, dan vervliegt dat nu. Ik stap achter het stuur en krijg als vanzelf adrenaline. Ik moet op scherp staan en dat doe ik. Ik ga ons veilig door de nacht heen, naar huis toe loodsen.

Toen je net vijf maanden was, nam ik je al mee voor een week aan zee en reed ik heel Nederland met je door. Toen we in een lange file kwamen, stopte ik en legde het picknickkleed in het gras. Je lag in mijn armen en ik gaf je de borst.
Jaren daarvoor kwam ik eens terug uit het zuiden. Ik wilde in de stad Mechelen overnachten. Ik zag een hotel aan de rand van de stad. Ach wat, ik kan ook wel de stad in en een hotel zoeken. Ik en mijn auto reden rondjes door het centrum tot een bestelbus met twee bouwvakkers daarin ons bij de verkeerslichten aansprak. Ze hadden mij en mijn auto wel zien aarzelen. ‘Volg maar, we brengen je wel naar een hotel.’ ’s Avonds loop ik in een vreemde stad en drink in een vreemde kroeg.

Ook al is het maar een uurtje dat ik moet rijden, het voelt gelijk als avontuur. Ik heb mijn ogen open. Wat gaat er komen. Wat ga ik beleven. Gewoon dat scherpe dat dan over mij heen komt, heerlijk. En ook al rijden er honderden om mij heen, het is míjn avontuur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *